Navigatie

Startpagina
Agenda
Media-optredens
Onderzoek
- lopend
- afgerond
Publicaties
- wetenschappelijk
-
populair & opinie
- boeken
Artikelenserie Beeldvorming joden onder katholieken in 20e eeuw
Columns
Lezingen
Contact |
Recensie:
Medisch kunnen en ethische onmacht
Een bejaarde mevrouw klaagt over pijn en vraagt de dokter om er een einde aan te maken. De
familie ondersteunt het verzoek. De dokter weigert en verwijst naar de regels van het
ziekenhuis. Het ziekenhuis denkt aan het wetboek van strafrecht. Medische, ethische en
juridische argumenten zijn hier onontwarbaar vervlochten. Een goed beeld van de huidige
situatie. Zelfbeschikking! De mevrouw maakt het uit, maar daarmee is ook elke ethische
discussie afgesloten. De menselijke nabijheid waar die mevrouw óók om vraagt kan de
noodzaak van een ethische bezinning niet verdoezelen. Zelfbeschikking schiet te kort en
maakt niet duidelijk waarom een arts daarbij moet helpen.
Er zijn veel ethische benaderingen denkbaar. Het jodendom verrast: de familie is niet
de eerst aangewezene om te oordelen over dergelijke ethische dilemma’s, want hun liefde
voor de persoon vertroebelt een afgewogen oordeel. De arts is echter ook niet degene die de
ethische kwesties kan beslissen, aangezien zijn bekwaamheid veeleer op het technischmedische vlak ligt, dan op levensbeschouwelijkethisch vlak. Een orthodoxprotestantse
benadering wil nog wel eens de bijbel als bron voor ethiek naar voren halen, begrijpelijk,
alhoewel juist daar de voorbeelden verwarrend kunnen zijn. Simson sleept zichzelf en 3000
mensen de dood in, koning Saul pleegt zelfmoord, maar wie zoekt naar een morele
veroordeling zoekt tevergeefs. De katholieke ethiek gaat uit van de transcendente God, maar
brengt de bijbel minder ter sprake en richt zich tot ‘ieder mens van goede wil. De bijbel als
bron heeft immers voor buitenkerkelijken geen gezag, een appèl op redelijkheid wél. Daarmee
verschilt de katholieke benadering weer van de joodse die geen gebruik maakt van
filosofische universele categorieën, maar zich voornamelijk tevreden stelt met binnenjoodse
richtlijnen.
Het goede recht van een katholieke benadering is voor de aan zelfbeschikking
gehechte mens niet duidelijk. De recente schandalen over seksueel misbruik hebben het
morele gezag van de kerk ook bepaald niet vergroot. Toch maken de medische mogelijkheden
duidelijk dat alle hulpbronnen voor een ethische bezinning aangesproken dienen te worden.
Wat te denken van DNA engineering? En injectering met hersenweefsel van embryo’s?
Xenotransplantatie, dierlijke weefsels, op een mens? En de combinatie van mens en dier? Of
door genetische engineering vóór de geboorte ongekende sportprestaties mogelijk te maken?
De vlakke opmerking: ‘dat houd je toch niet tegen”, miskent het doel van ethische bezinning:
niet het wereldwijd tegenhouden van medische ontwikkeling, maar wel een maatschappelijk
debat en verantwoorde eigen keuzen na een grondige confrontatie met argumenten en
richtlijnen die de menselijke waardigheid centraal stellen.
Het vuistdikke Handboek Katholieke Medische Ethiek dat vandaag is verschenen
verdient de aandacht. De auteurs: W. Eijk, aartsbisschop en gepromoveerd in de medicijnen
en filosofie; internist in ruste dr. J. Raymakers; dr. Lambert Hendriks, docent moraaltheologie
aan het seminarie Rolduc; dr. F. Hamburg, docent besliskunde aan de Hogeschool van
Rotterdam, en de arts dr. F. van Ittersum en de psychiater drs. F. de Wever, de jezuïet drs. W.
Biemans, in appendix de classicus drs. H. Kretzers (Rolduc) over de eed van Hippocrates. De
academische wereld is bescheiden vertegenwoordigd. Het Handboek biedt veel: medische
verantwoordelijkheid voor het beginnend menselijk leven, inclusief prenatale diagnostiek,
(150 pp., door Eijk); verantwoordelijkheid voor het doorgeven van menselijk leven, inclusief
klonen (Hendriks en Eijk), therapeutisch ingrijpen, inclusief al of niet reanimeren
(Raymakers), niettherapeutisch ingrijpen, zoals plastische chirurgie en bodybuilden (vanIttersum) en hersenimplantaten (Eijk en Hamburg); medische zorg bij het levenseinde (Eijk,
Raymakers), sociale aspecten (Raymakers).
Bronnen van de ethiek.
Uitgangspunt is dat een eenduidige ethische beslissing mogelijk is. Geen geringe pretentie!
Het was ook wel tijd voor helderheid, maar ook een pluralist heeft iets aan het handboek: het
wordt nu duidelijk waarmee hij of zij van mening kan verschillen. Wat zijn de bronnen van
ethische normen? De natuurwet is de belangrijkste: universeel en toegankelijk voor alle
weldenkende mensen, ook al bij Cicero en Aristoteles. Geen biologische wet uiteraard, maar
een morele wet op basis van het geweten. Daarnaast is er als bron het leergezag van de
katholieke kerk. Zoals Eijk die omschrijft rijst er een kentheoretisch probleem: de natuurwet
is door de zondeval niet langer universeel toegankelijk. Alleen paus en bisschoppen hebben
daartoe nog een heldere toegang. Waarom de zondeval niet in Christus in principe is
ongedaan gemaakt en waarom alle mensen gebukt gaan onder verduistering van de natuurwet
uitgezonderd paus en bisschoppen, wordt niet geproblematiseerd. Dat nietkatholieken nu nog
tot een juist ethisch oordeel kunnen komen, wordt onwaarschijnlijk. Deze benadering wordt
ook voor een welwillende lezer niet erg plausibel.
Eijk stelt terecht dat Genesis niet letterlijk hoeft te worden genomen en dat de evolutietheorie
haar eigen beperkte geldigheid heeft, die schepping door God niet uitsluit. Creationisme is
dus niet nodig, maar het darwinisme dicteert geen ethiek, volkomen terecht. Hoe Eijk de
waardigheid van de menselijke persoon afleidt uit de mens als beeld van God en dat verbindt
met de Kantiaanse maxime dat de mens doel in zich is, klinkt overtuigend. De moderne
filosofie komt daarentegen niet als uitdaging in beeld, maar is de boeman: is materialisme en
dualisme. Onze moderne tijd gaat echter bepaald niet onder ascese en dualisme tussen ziel en
lichaam gebukt. Een materialistische visie op de geest, gereduceerd tot hersenactiviteit, kan
men evenmin dualistisch noemen. Eijk doelt op een dualisme tussen lichaam en persoon als
de waardigheid van de persoon afhankelijk wordt gesteld van hersenfuncties zodat een
embryo bijvoorbeeld nog niet een persoon is. De paradox is dat de moderne tijd enerzijds een
overwaardering van het lichamelijke kent, dat evenwel tegelijkertijd als manipuleerbaar en als
middel wordt beschouwd. Een complexe maar boeiende diagnose!
Menselijke waardigheid
Het betoog neemt toe in kracht waar het eenvoudigweg de intrinsieke waarde van de
menselijke persoon uiteenzet. De socialiteit van de mens krijgt eveneens nadruk in de
katholieke leer, meer dan in het individuele zelfbeschikkingsrecht, dat als laatste norm voor
de moderne samenleving geldt. Zelfs de sociaalcontracttheorieën van een Hobbes en Locke
baseren zich op individueel eigenbelang, in plaats van op algemeen welzijn.
Het handboek wordt spannend bij concrete ethisch kwesties. De aanvankelijk anti
moderne geest maakt plaats voor een deskundige presentatie van de modernste medische
verworvenheden, zonder enig antitechnisch sentiment, waartoe theologen nog wel eens
willen neigen. Die staalkaart van medische mogelijkheden is van grote waarde. Vervolgens
wordt met Angelsaksische precisie de vraag naar de ethische dimensie gesteld. Essentiële
ethisch maatstaf: de mens mag nooit instrumenteel, als middel worden gebruikt. Bepaald niet
alles is in dit licht verboden: zo kan óverbehandelen net zo goed instrumentalisering van de
mens zijn als het staken van een levenreddende behandeling. De deugd van de prudentie
(verstandigheid) wijst hier het juiste midden. Een risicovolle behandeling van een foetus is
toegestaan als het therapeutisch voordeel direct het kind zelf ten goede komt. Als het gaat om
experimenten voor veel latere toepassing wordt het beginnend menselijk leven weer
instrumenteel benaderd. Een eventueel offer voor toekomstige generaties mag niet aan hetongeboren leven worden opgelegd, want kan alleen uit vrije wil worden gebracht. Ook zijn
ouders niet de ‘eigenaar’ van de foetus.
Het oude katholieke onderscheid tussen ‘gewone’ medische middelen en de niet
verplichte ‘buitengewone medische middelen’ is met de vooruitgang van de techniek niet
helder meer. Het Handboek spreekt over proportionaliteit: de behandeling moet proportioneel
zijn aan het verwachte resultaat. Als een zware bestraling veel ellende voor de patiënt oplevert
en nauwelijks levenverlengend zal zijn is zo’n behandeling niet geboden.
Ethische bezinning is geen rem op de vooruitgang, maar dient zelf ‘bij de tijd’ te zijn.
De toekomstige mogelijkheden tot kloneren zijn duizelingwekkend: therapeutisch klonen,
reproductief klonen, modificatie van cellen door kerntransplantatie, transformatie van cellen
tot stamcellen, parthenogenese. Ingrijpen in de DNA structuur wordt door Eijk niet afgewezen
op grond van de scheppingsorde, zoals sommige protestantse theologen doen die de Schrift
als (te) directe bewijsplaats gebruiken. Het gaat om de menselijke waardigheid. Zo mogen we
geen slavenras kweken dat zijn geluk vindt in het dienen van zijn meester, al is het waar dat
aan het criterium van het utilisme: zoveel mogelijk geluk vermeerderen, ruimschoots wordt
voldaan! Het prenataal ‘repareren’ van een gen komt het kind wel direct ten goede en is geen
verandering van de persoon; daarvoor kan dus ruimte zijn.
De uitvoerige uiteenzetting over voorbehoedsmiddelen door Lambert Hendriks bevat
weinig nieuws. Er waren bisschoppen ten tijde van Humanae Vitae tegen een absoluut verbod
op voorbehoedmiddelen, maar het waarom krijgt de lezer niet te horen. Dat is onverstandig,
want nu wordt gesteld dat het gebruik van condoom geheel tegen de katholieke leer zou zijn.
De recente concessie van paus Benedictus XVI dienaangaande moet dan wel voor de auteur
als een aardschok komen. Het gaat hier om een keuze voor het moreel mindere kwaad – zo
ongeveer dat je een ruit mag inslaan om een brand te blussen in plaats van het huis laten
afbranden. Dat principe lijkt overigens in het handboek te worden afgewezen (p. 81, 173).
De katholieke nadruk op de band tussen seksualiteit, trouw en liefde blijft wel onverkort
geldig en sluit aan bij het moderne personalisme.
Voor wie is het Handboek? Samenwerking tussen arts, pastor, patiënt, familie en
ethische commissie vormen een noodzakelijke bemiddeling tussen handboek en praktijk. Dit
boek zal vooral die lezers bereiken, en daartoe reken ik mijzelf , die menen dat onze
samenleving in ethische zaken toenemend voor grote vraagstukken staat waarop ze steeds
minder een antwoord heeft. Deze verantwoordelijkheid aan de medische wetenschap alleen
overlaten betekent een jammerlijke verwarring van technische kennis met ethische bezinning.
Alle spirituele en religieuze bronnen zijn nodig om in samenspraak met medische wetenschap
helderheid te krijgen. Het laatste woord staat daarom zeker niet in dit boek: maar wel voor
velen het noodzakelijke eerste woord!
Handboek Katholieke Medische Ethiek, Verantwoorde gezondheidszorg vanuit katholiek perspectief,
Parthenon Almere, ISBN: 9789079578115, gebonden, 560 p., € 49,50.
|
Linktips

Werkgroep Relatie Jodendom-Christendom

Faculteit
Katholieke Theologie

Wetenschappelijke serie
Jewish-Christian Perspectives

Katholieke Raad
voor Israël

Dag van het Jodendom.nl
|